Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene] B.V.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een administratieve sanctie opgelegd wegens rijden op het fietspad op 5 november 2021 te Tilburg. Tegen deze boete werd beroep ingesteld bij de officier van justitie, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens werd beroep ingesteld bij de kantonrechter. Betrokkene was niet aanwezig, maar werd vertegenwoordigd door een gemachtigde.
De gemachtigde voerde aan dat betrokkene niet de bestuurder was ten tijde van de overtreding, omdat het voertuig bedrijfsmatig voor minder dan drie maanden was verhuurd aan een ander. Tevens werd aangevoerd dat de bebording ter plaatse verwarrend was en dat de redelijke termijn was overschreden. De officier van justitie erkende dat betrokkene voldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet de bestuurder was en dat de boete daarom verlegd moest worden.
De kantonrechter oordeelde dat op grond van artikel 5 en Pro 8 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) de boete aan de kentekenhouder wordt opgelegd, tenzij deze kan aantonen dat het voertuig bedrijfsmatig was verhuurd. Betrokkene had dit voldoende onderbouwd met een geldige huurovereenkomst. Daarom werd het beroep gegrond verklaard, de boete vernietigd en het betaalde bedrag van €159 terugbetaald. Proceskosten werden niet toegekend.
De uitspraak werd gedaan door kantonrechter S.W.M. Speekenbrink op 25 juni 2024 en is niet vatbaar voor hoger beroep.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de boete wordt vernietigd en terugbetaald.