Betrokkene kreeg een boete voor het rijden op het voetpad in de Nieuwlandstraat te Tilburg op 6 maart 2022. Hij stelde beroep in tegen de boete, stellende dat de verkeerssituatie onduidelijk was door onjuiste bebording en een fuik waardoor bestuurders gedwongen werden de geslotenverklaring te negeren. De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter.
De kantonrechter behandelde de zaak op 25 juni 2024 en verwees naar eerdere themazittingen over de Nieuwlandstraat. Uit die zaken bleek dat de verkeerssituatie in drie periodes is te onderscheiden: vóór 10 september 2021 was de bebording onvoldoende en mochten boetes niet worden opgelegd; tussen 10 september en 3 november 2021 was de situatie formeel duidelijk, maar door wegwerkzaamheden en onduidelijkheid niet redelijk om boetes op te leggen; vanaf 3 november 2021 was de situatie duidelijk en mochten boetes terecht worden opgelegd.
De boete van betrokkene viel in de periode na 3 november 2021, maar de kantonrechter oordeelde dat de hoorplicht was geschonden en de redelijke termijn van berechting was overschreden. Daarom werd de boete met 25% gematigd. Tevens werd de beslissing van de officier van justitie vernietigd en een proceskostenvergoeding toegekend voor de fase bij de kantonrechter. Het beroep tegen de boete werd gedeeltelijk gegrond verklaard.