Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Verloop van de procedure
Standpunten
Overwegingen
€ 437,50
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete voor het rijden op het voetpad in de Nieuwlandstraat te Tilburg op 5 maart 2022. Hij voerde overmacht aan vanwege spoed naar een ziek familielid en stelde dat de verkeerssituatie onduidelijk was door een fuik en onduidelijke bebording. De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, waarna betrokkene bij de kantonrechter in beroep ging.
De kantonrechter oordeelde dat de verkeerssituatie in drie periodes moest worden onderscheiden. Voor de periode juli tot 9 september 2021 was de bebording onvoldoende, waardoor boetes onterecht waren. Van 10 september tot 3 november 2021 was de bebording formeel correct maar door wegwerkzaamheden en onduidelijke situatie niet redelijk om boetes op te leggen, dus matiging naar nihil. Vanaf 3 november 2021 was de situatie duidelijk en boetes terecht opgelegd.
De kantonrechter stelde de zekerheidstelling op nihil wegens financiële omstandigheden van betrokkene, matigde de boete met 25% wegens overschrijding van de redelijke termijn en kende een proceskostenvergoeding toe. De schending van de hoorplicht leidde tot vernietiging van de beslissing van de officier van justitie, maar gaf geen aanleiding tot boetevermindering.
Uitkomst: Beroep deels gegrond, boete gematigd tot € 112,50 en proceskostenvergoeding toegekend.