Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.[verweerder 1]
[verweerder 2]
[verweerder 3]
[verweerder 4]
[verweerder 5]
[verweerder 6]
[verweerder 7]
[verweerder 8]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De zaak betreft een verzoek van de enige erfgenaam om conservatoire beslagen op een woning en twee bankrekeningen, gelegd door de verweerders, op te heffen. De beslagen zijn gelegd in het kader van een lopende procedure over vorderingen op de nalatenschap van de overleden moeder van verzoekster.
Verzoekster heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard en stelt dat opheffing van de beslagen nodig is voor de vereffening, omdat de boedel anders betalingsproblemen krijgt en de woning verkocht moet worden om schulden te voldoen. De verweerders betwisten de bevoegdheid van verzoekster en voeren aan dat zij eigenaar zijn van de woning en vorderingen hebben wegens schade en niet-afgifte van goederen.
De rechtbank oordeelt dat verzoekster wel ontvankelijk is en dat artikel 4:223 lid 3 BW Pro van toepassing is, maar dat de belangenafweging leidt tot handhaving van de beslagen. De schulden zijn gering, er is geen executiedreiging door de bank, en het belang van de verweerders bij behoud van verhaal weegt zwaarder. Ook het beslag op de bankrekeningen blijft gehandhaafd vanwege de omvangrijke schadevorderingen en het risico op schending van de paritas creditorum.
De rechtbank wijst het verzoek af en veroordeelt verzoekster in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van conservatoire beslagen op de woning en bankrekeningen wordt afgewezen.