AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep tegen ontheffing Wet natuurbescherming voor werkzaamheden in Dalempolder
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van Gedeputeerde Staten Zeeland om een ontheffing te verlenen op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor werkzaamheden in het projectgebied Dalempolder te Tholen. De werkzaamheden betroffen de aanleg van een weg en bijbehorende infrastructuur, waarbij de aanwezigheid van de beschermde rugstreeppad centraal stond.
De rechtbank beoordeelde eerst of eiser procesbelang had, gelet op het feit dat de werkzaamheden al waren uitgevoerd. De rechtbank stelde vast dat eiser wel degelijk belang had bij de inhoudelijke beoordeling, onder meer vanwege betaalde leges en het principiële belang.
De kern van het geschil betrof de vraag of de ontheffing terecht was verleend, waarbij GS had geoordeeld dat de aanwezigheid van de rugstreeppad in het gebied niet kon worden uitgesloten en dat de getroffen maatregelen onvoldoende waren om nadelige gevolgen te voorkomen. De rechtbank concludeerde dat GS redelijkerwijs kon besluiten dat een ontheffing noodzakelijk was, omdat het projectgebied geschikt habitat was en de soort recentelijk in de directe omgeving was aangetroffen.
De rechtbank verwierp het standpunt van eiser dat geen ontheffing nodig was en dat de voorschriften slechts onder de voorwaarde van aanwezigheid van de soort hadden moeten gelden. Ook achtte de rechtbank de ecologische maatregelen onvoldoende om nadelige effecten uit te sluiten. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming wordt ongegrond verklaard.
Voetnoten
3.Artikel 3.5, eerste, tweede en vierde lid, van de Wnb.
4.Artikel 3.6, tweede lid, en 3.34, eerste lid, van de Wnb.
5.Artikel 3.8 en artikel 3.34, derde lid, van de Wnb.
6.Artikel 3.8, vijfde lid, van de Wnb.
7.Op grond van artikel 3.8 van de Wnb.
8.Op grond van artikel 3.8 en 3.34, derde lid, van de Wnb.
9.Volgens het Kennisdocument zijn deze criteria van belang om te bepalen of sprake is van een potentiële aanwezigheid van de rugstreeppad in een gebied.
10.De ontheffing ziet ook op het verbod om rugstreeppadden onder zich te hebben of te vervoeren (artikel 3.6, tweede lid, van de Wnb) en het verbod (eieren) van rugstreeppadden uit te zetten (artikel 3.34, eerste lid, van de Wnb). De rechtbank leest in de ontheffing dat GS ervanuit gaat dat die verboden niet werden overtreden als gevolg van de werkzaamheden, maar zouden worden overtreden als gevolg van het uitvoeren van de voorschriften die zijn verbonden aan de ontheffing. Als vastgesteld wordt dat geen ontheffing is vereist voor overtreding van het verbod van artikel 3.5 van de Wnb, is ontheffing van artikel 3.6, tweede lid, en 3.34, eerste lid, van de Wnb ook niet vereist. Gelet daarop beperkt het geschil zich naar het oordeel van de rechtbank tot de vraag of de werkzaamheden leiden tot overtreding van artikel 3.5 van de Wnb.
12.Kan o.a. worden afgeleid uit ABRvS 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2169, r.o. 13.6.4 en specifiek t.a.v. de rsp: 13.7.2. 14.Zie: ‘Quickscan Wet natuurbescherming wijk Dalempolder’ van [bedrijf 3] van 31 maart 2021 (hierna: Quickscan)(p. 15, 20 en 25), Nader onderzoek (p. 11), Second opinion [bedrijf 3] (p. 1), Second opinion [bedrijf 2] (p. 9) en Memo [bedrijf 1] (p. 4).
15.Zie: Quickscan (p. 15), Nader onderzoek (p. 11) en Second opinion [bedrijf 2] (p. 7).
16.Zie: Second opinion [bedrijf 3] (p. 7) en Second opinion [bedrijf 2] (p. 6).