ECLI:NL:RBZWB:2024:5722

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 augustus 2024
Publicatiedatum
19 augustus 2024
Zaaknummer
C/02/425564 / HA RK 24-151 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
  • Peters
  • Römers
  • Breeman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen voorzieningenrechter wegens vermeende partijdigheid

Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen mr. Vriends, de voorzieningenrechter in een bestuursrechtelijke hoofdzaak, op grond van vermeende schijn van partijdigheid bij de beoordeling van haar beroep op betalingsonmacht voor het griffierecht.

De wrakingskamer onderzocht het verzoek aan de hand van het proces-verbaal van de zitting en de schriftelijke stukken. De rechter had verzoekster gevraagd haar stelling omtrent het ontbreken van vermogen schriftelijk te onderbouwen, wat volgens de kamer een redelijke en logische vraag was in het kader van de beoordeling van een verzoek om griffierechtvrijstelling.

De wrakingskamer oordeelde dat het wrakingsverzoek deels niet-ontvankelijk was omdat het ook betrekking had op de proceshouding van de gemeente, wat geen grond voor wraking is. Daarnaast was het verzoek prematuur en ongegrond omdat er geen aanwijzingen waren dat de rechter vooringenomen was of dat een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor bestond.

De kamer besloot de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek achterwege te laten en bepaalde dat de hoofdzaak zal worden voortgezet in de stand van zaken ten tijde van de schorsing door het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de voorzieningenrechter wordt afgewezen wegens gebrek aan schijn van partijdigheid en deels niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Wrakingskamer
Locatie: Breda
Procedurenummer: C/02/425564 / HA RK 24-151
beslissing van 15 augustus 2024 op het wrakingsverzoek zoals bedoeld in artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht van:
[verzoekster], verzoekster
gemachtigde: [naam] .

1.Procesverloop

Het verloop van deze procedure blijkt onder meer uit:
 de processtukken zoals opgenomen in het procesdossier van de hoofdzaak met nummer BRE 24/5659 PW VV,
 het proces-verbaal van de zitting van 13 augustus 2024 met daarin de wrakingsgronden,
 het e-mailbericht van de gewraakte rechter aan de wrakingskamer van 13 augustus 2024 waaruit blijkt dat zij niet in de wraking berust.

2.Het verzoek

2.1
Het verzoek strekt tot wraking van mr. Vriends (hierna: de rechter), optredend als voorzieningenrechter (bestuursrecht) in de bovengenoemde hoofdzaak. Dit verzoek berust op de gronden zoals die door de gemachtigde namens verzoekster uiteen zijn gezet tijdens de zitting in de hoofdzaak van 13 augustus 2024.
2.2
De rechter berust niet in het verzoek tot wraking.

3.De gronden van het wrakingsverzoek

Verzoekster legt aan het wrakingsverzoek ten grondslag dat de rechter de schijn van partijdigheid heeft gewekt door te willen beslissen op haar beroep op betalingsonmacht ten aanzien van het griffierecht en daarbij niet aan te nemen dat zij geen vermogen heeft. Daarnaast legt verzoekster aan het wrakingsverzoek ten grondslag dat de gemeente Tilburg een kwalijke proceshouding heeft.

4.De beoordeling

Beoordelingskader
4.1
Op grond van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.2
De wrakingskamer stelt het volgende voorop. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter geldt het uitgangspunt dat een rechter op grond van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Alleen een uitzonderlijke omstandigheid kan een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter ten aanzien van een procespartij een vooringenomenheid koestert, of dat een bij een partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. De wrakingskamer moet daarom onderzoeken of de door verzoekster aangevoerde specifieke feiten en omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens haar een vooringenomenheid koestert, of dat de door verzoekster geuite vrees daarvoor – objectief – gerechtvaardigd is.
Beoordeling van de wrakingsgronden
4.3
Een wrakingsverzoek moet gericht zijn tegen de met de behandeling van de zaak belaste rechter. De wet biedt geen grondslag om hiervan af te wijken. Voor zover verzoekster de proceshouding van de gemeente Tilburg aan het wrakingsverzoek ten grondslag legt, is het wrakingsverzoek daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
4.4
Voor het verloop van de zitting in de hoofdzaak van 13 augustus 2024 neemt de wrakingskamer het proces-verbaal van die zitting als uitgangspunt. Uit dit proces-verbaal blijkt dat de rechter aan de gemachtigde van verzoekster heeft gevraagd of het mogelijk is om haar stelling dat zij geen vermogen heeft schriftelijk te onderbouwen. Dit is een logische vraagstelling aangezien verzoekster zich op het standpunt heeft gesteld dat zij niet bij machte is om het griffierecht te betalen dat zij vanwege de indiening van het verzoekschrift in de hoofdzaak verschuldigd is. De rechter heeft gezegd dat zij eerst een beslissing moet nemen over de vraag of verzoekster kan worden vrijgesteld van het betalen van griffierecht, voordat de zaak verder kan worden besproken. Dit is juist gelet op artikel 8:82, derde lid, gelezen samen met artikel 8:41, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Vervolgens is namens verzoekster het wrakingsverzoek ingediend.
4.5
Kort voor het indienen van het wrakingsverzoek heeft de rechter nog geverifieerd of het daadwerkelijk de bedoeling was om een wrakingsverzoek in te dienen, en heeft de rechter gezegd dat zij nog geen beslissing had genomen over het griffierecht. De wrakingskamer is dan ook van oordeel dat er op het moment van het indienen van het wrakingsverzoek geen aanleiding was om aan te nemen dat de rechter het verzoek om vrijstelling van het griffierecht zou afwijzen, dan wel dat de rechter bij haar beslissing daarover niet zou willen aannemen dat verzoekster geen vermogen heeft. Het wrakingsverzoek is in zoverre prematuur en zal daarom als kennelijk ongegrond worden afgewezen.
4.6
Gelet op het voorgaande is niet gebleken dat er sprake is van enige schijn van vooringenomenheid, dan wel van een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor. Omdat sprake is van een deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond wrakingsverzoek, laat de wrakingskamer de mondelinge behandeling van het verzoek achterwege overeenkomstig artikel 4, tweede lid, aanhef en onder a en e, van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (gepubliceerd op de website www.rechtspraak.nl, zie rechtbank Zeeland-West-Brabant, regels en procedures, wrakingsprotocol).

5.De beslissing

De wrakingskamer:
 verklaart het verzoek tot wraking kennelijk niet-ontvankelijk voor zover dit geen betrekking heeft op de rechter;
 verklaart het verzoek tot wraking voor het overige kennelijk ongegrond;
 bepaalt dat de behandeling van de hoofdzaak met nummer BRE 24/5659 PW VV zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek.
Deze beslissing is genomen op 15 augustus 2024 door mr. Peters, rechter en voorzitter, en mr. Römers en mr. Breeman, rechters, in aanwezigheid van mr. Hamans, griffier. De beslissing wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.