ECLI:NL:RBZWB:2024:5722
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Wraking
- Peters
- Römers
- Breeman
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen voorzieningenrechter wegens vermeende partijdigheid
Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen mr. Vriends, de voorzieningenrechter in een bestuursrechtelijke hoofdzaak, op grond van vermeende schijn van partijdigheid bij de beoordeling van haar beroep op betalingsonmacht voor het griffierecht.
De wrakingskamer onderzocht het verzoek aan de hand van het proces-verbaal van de zitting en de schriftelijke stukken. De rechter had verzoekster gevraagd haar stelling omtrent het ontbreken van vermogen schriftelijk te onderbouwen, wat volgens de kamer een redelijke en logische vraag was in het kader van de beoordeling van een verzoek om griffierechtvrijstelling.
De wrakingskamer oordeelde dat het wrakingsverzoek deels niet-ontvankelijk was omdat het ook betrekking had op de proceshouding van de gemeente, wat geen grond voor wraking is. Daarnaast was het verzoek prematuur en ongegrond omdat er geen aanwijzingen waren dat de rechter vooringenomen was of dat een objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor bestond.
De kamer besloot de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek achterwege te laten en bepaalde dat de hoofdzaak zal worden voortgezet in de stand van zaken ten tijde van de schorsing door het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de voorzieningenrechter wordt afgewezen wegens gebrek aan schijn van partijdigheid en deels niet-ontvankelijk verklaard.