ECLI:NL:RBZWB:2024:6611

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
25 september 2024
Publicatiedatum
27 september 2024
Zaaknummer
BRE 24/5659 PW VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 17 ParticipatiewetArt. 54 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking bijstandsuitkering na niet-herstel verzuim

Verzoekster, een alleenstaande moeder met vier minderjarige kinderen, ontvangt sinds 1 november 2020 een bijstandsuitkering. Het college startte een onderzoek nadat bleek dat zij twee voertuigen op naam had en niet was verschenen op een voortgangsgesprek. Verzoekster werd verzocht bewijsstukken over de betaling van de voertuigen te overleggen, maar zij leverde deze niet binnen de gestelde termijn aan.

Het college schortte de uitkering op per 21 juni 2024 en trok deze vervolgens in per 11 juli 2024 vanwege het niet herstellen van het verzuim. Verzoekster maakte geen bezwaar tegen het opschortingsbesluit, waardoor in deze procedure alleen de rechtmatigheid van de intrekking aan de orde is.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzuim niet is hersteld en dat verzoekster dit verwijtbaar is, aangezien zij geen verzoek tot verlenging heeft gedaan en redelijkerwijs over de gevraagde stukken had kunnen beschikken. Het college heeft voldoende rekening gehouden met de belangen van verzoekster en haar kinderen door herhaalde kansen te bieden en overleg met andere instanties.

Gelet op het spoedeisend belang en het sociaal vangnet karakter van de bijstand, is het verzoek om voorlopige voorziening inhoudelijk behandeld, maar afgewezen. De voorzieningenrechter verwacht dat het bestreden besluit stand zal houden na bezwaar. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de bijstandsuitkering wordt afgewezen omdat het verzuim niet is hersteld en dit verzoekster verwijtbaar is.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/5659 PW VV

uitspraak van 25 september 2024 van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster], te [plaats] ,

gemachtigde: [naam] ,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg(het college), verweerder.

Inleiding

Verzoekster heeft middels een brief van 19 juli 2024 een beroepschrift ingediend bij de rechtbank dat is gericht tegen een besluit van 11 juli 2024 (bestreden besluit) over de intrekking van haar bijstandsuitkering met ingang van 21 juni 2024. De rechtbank heeft deze brief doorgestuurd naar het college met het verzoek het in behandeling te nemen als bezwaarschrift.
Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen met betrekking tot dit besluit.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 13 augustus 2024 op zitting behandeld. Verzoekster werd vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Het college werd vertegenwoordigd door mr. M.H. Ligtenberg. Het onderzoek ter zitting is geschorst vanwege een wrakingsverzoek van verzoekster. Van hetgeen tijdens deze zitting is besproken is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift naar partijen is gezonden.
De wrakingskamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft het wrakingsverzoek van verzoekster bij beslissing van 15 augustus 2024 deels kennelijk niet-ontvankelijk en voor het overige kennelijk ongegrond verklaard. [1]
Op 11 september 2024 is het onderzoek ter zitting voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens indiening van het wrakingsverzoek. Het college werd vertegenwoordigd door mr. M.H. Ligtenberg. Verzoekster is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten. De stukken, die de gemachtigde van verzoekster na sluiting van het onderzoek heeft toegezonden, zijn geweigerd.

OverwegingenRelevante feiten en omstandigheden

1. Verzoekster is een alleenstaande moeder met vier minderjarige kinderen. Zij ontvangt een bijstandsuitkering van het college vanaf 1 november 2020. Nadat bij het college een signaal is binnengekomen dat verzoekster twee voertuig op naam heeft (gehad) en verzoekster niet is verschenen op een uitnodiging voor een voortgangsgesprek, is het college een onderzoek gestart naar het recht op bijstandsuitkering. In een brief van 7 juni 2024 heeft het college verzoekster verzocht om een aantal bewijsstukken, waaronder bewijsstukken over de wijze waarop de voertuigen zijn betaald, uiterlijk 20 juni 2024 in te leveren.
Nadat verzoekster daaraan geen gehoor heeft gegeven, is het college in een besluit van 26 juni 2024 overgegaan tot opschorting van verzoeksters bijstandsuitkering met ingang van 21 juni 2024. Daarbij is verzoekster verzocht om de opgevraagde gegevens alsnog uiterlijk 9 juli 2024 in te leveren.
Omdat verzoekster de opgevraagde stukken niet heeft aangeleverd, is het college in het bestreden besluit overgegaan tot intrekking van verzoeksters bijstandsuitkering met ingang van 21 juni 2024. Het college stelt dat verzoekster de medewerkingsverplichting heeft geschonden door de opgevraagde gegevens niet te verstrekken. Volgens hem kan hierdoor niet worden vastgesteld of verzoekster nog recht heeft op bijstand.
Toetsingskader voorzieningenrechter
2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Bij het nemen van een beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening speelt een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit een belangrijke rol. Daarbij zal de vraag of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen beslissing niet in stand kan blijven, moeten worden beantwoord.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
De relevante bepalingen uit de Participatiewet staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling van het spoedeisend belang
3. Sinds 21 juni 2024 ontvangt verzoekster geen bijstandsuitkering. Er zijn geen aanwijzingen dat zij op het moment – naast toeslagen, het kindgebonden budget en kinderbijslag – inkomsten ontvangt om in haar bestaanskosten te voorzien. Het inhoudelijke geschil heeft raakvlakken met de beoordeling van het spoedeisend belang. Gelet op deze omstandigheid en het gegeven dat een bijstandsuitkering een sociaal vangnet is, neemt de voorzieningenrechter in dit geval spoedeisend belang aan en zal zij het verzoek inhoudelijk behandelen.
Voorlopig rechtmatigheidsoordeel
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster geen bezwaar heeft gemaakt tegen het opschortingsbesluit van 26 juni 2024. In deze procedure kan daarom alleen aan de orde komen of het college op goede gronden tot intrekking van haar bijstandsuitkering is overgegaan. Bij de beantwoording van de vraag of de bijstandverlenende instantie op grond van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1562) ter beoordeling of de betrokkene het bij het opschortingsbesluit vastgestelde verzuim binnen de daarvoor gestelde termijn heeft hersteld. Als de betrokkene het verzuim niet heeft hersteld, moet vervolgens worden nagegaan of hem of haar hiervan een verwijt kan worden gemaakt.
5. Verzoekster heeft het in het opschortingsbesluit omschreven verzuim niet hersteld binnen de daarvoor gestelde termijn. De voorzieningenrechter ziet vooralsnog geen aanleiding voor de conclusie dat verzoekster hiervan geen verwijt kan worden gemaakt. Het gaat bij de opgevraagde stukken om gegevens of bewijsstukken die van belang zijn voor het recht op bijstand, nu deze controleerbare informatie bevatten over verzoeksters inkomsten en vermogen. Niet is gebleken dat verzoekster redelijkerwijs niet over de gevraagde stukken heeft kunnen beschikken. Gelet op de aard van de opgevraagde stukken waren de door het college gegeven hersteltermijnen lang genoeg. Er is ook niet gebleken dat verzoekster om verlenging van de gestelde termijnen heeft verzocht. Gezien het voorgaande was het college naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter bevoegd om over te gaan tot intrekking van het recht op bijstand met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort, op grond van het vierde lid van artikel 54 van Pro de Participatiewet.
6. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geeft wat verzoekster aanvoert geen aanleiding voor de conclusie dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor de conclusie dat het college onvoldoende oog heeft gehad voor de belangen van verzoeksters kinderen, of dat hij anderszins niet binnen de grenzen van het recht is gebleven. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat verzoekster als ouder als eerste verantwoordelijk is voor het waarborgen, naar vermogen en binnen de grenzen van de financiële mogelijkheden, van de levensomstandigheden die nodig zijn voor de ontwikkeling van haar kinderen. Het college heeft verzoekster blijkens de dossierstukken en het verhandelde ter zitting ook in de bezwaarfase meerdere kansen gegeven tot het aanleveren van de benodigde stukken. Verzoekster is in het opschortingsbesluit van 26 juni 2024 duidelijk gewezen op de gevolgen van het niet inleveren van de opgevraagde gegevens. Het college heeft ook overleg gevoerd met andere instanties alvorens over te gaan tot intrekking van verzoeksters uitkering. Daarmee heeft hij voldoende rekening gehouden met de belangen van verzoekster en die van haar kinderen.
Conclusie
7. Gezien het voorgaande zal het bestreden besluit naar verwachting van de voorzieningenrechter standhouden na heroverweging in bezwaar. Het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E.C. Vriends, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 25 september 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.
voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Bijlage: wettelijk kader

Participatiewet
Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Participatiewet verleent de belanghebbende het bijstandverlenend orgaan desgevraagd de medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
Op grond van artikel 54, eerste lid, van de Participatiewet kan het college, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten vanaf de eerste dag van de periode waarop het verzuim betrekking heeft, of vanaf de dag van het verzuim indien niet kan worden bepaald op welke periode dit verzuim betrekking heeft.
Op grond van het tweede lid doet het college mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit het verzuim binnen een door hen te stellen termijn te herstellen.
Op grond van het vierde lid kan het college, als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gegeven termijn, na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

Voetnoten