ECLI:NL:RBZWB:2024:6611
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking bijstandsuitkering na niet-herstel verzuim
Verzoekster, een alleenstaande moeder met vier minderjarige kinderen, ontvangt sinds 1 november 2020 een bijstandsuitkering. Het college startte een onderzoek nadat bleek dat zij twee voertuigen op naam had en niet was verschenen op een voortgangsgesprek. Verzoekster werd verzocht bewijsstukken over de betaling van de voertuigen te overleggen, maar zij leverde deze niet binnen de gestelde termijn aan.
Het college schortte de uitkering op per 21 juni 2024 en trok deze vervolgens in per 11 juli 2024 vanwege het niet herstellen van het verzuim. Verzoekster maakte geen bezwaar tegen het opschortingsbesluit, waardoor in deze procedure alleen de rechtmatigheid van de intrekking aan de orde is.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het verzuim niet is hersteld en dat verzoekster dit verwijtbaar is, aangezien zij geen verzoek tot verlenging heeft gedaan en redelijkerwijs over de gevraagde stukken had kunnen beschikken. Het college heeft voldoende rekening gehouden met de belangen van verzoekster en haar kinderen door herhaalde kansen te bieden en overleg met andere instanties.
Gelet op het spoedeisend belang en het sociaal vangnet karakter van de bijstand, is het verzoek om voorlopige voorziening inhoudelijk behandeld, maar afgewezen. De voorzieningenrechter verwacht dat het bestreden besluit stand zal houden na bezwaar. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de bijstandsuitkering wordt afgewezen omdat het verzuim niet is hersteld en dit verzoekster verwijtbaar is.