ECLI:NL:RBZWB:2024:5781
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen herstelverklaring Ziektewet wegens onvoldoende aannemelijkheid arbeidsongeschiktheid
Eiser, een voormalige business analist met beperkingen door een schedelbasisfractuur in 2005, werkte tot december 2021 in aangepast werk. Na WW-uitkering meldde hij zich ziek met psychische klachten en vroeg om een ZW-uitkering. Het UWV verklaarde hem per 9 april 2022 hersteld voor zijn eigen werk en wees de uitkering af. Eiser voerde aan dat hij door cognitieve beperkingen en een aanpassingsstoornis niet in staat was zijn werk uit te voeren en overhandigde neuropsychologisch en psychiatrisch bewijs.
De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij op de datum in geding niet geschikt was voor zijn eigen werk, zoals gedefinieerd in artikel 19, vijfde lid, ZW. Het UWV heeft rekening gehouden met verlichtende omstandigheden van het aangepaste werk, en de beperkingen van eiser zijn onvoldoende onderbouwd. De neuropsychologische rapportage toonde geen cognitieve stoornissen in engere zin, en de aanpassingsstoornis werd als lichte problematiek zonder functionele beperkingen beoordeeld.
De rechtbank volgt de verzekeringsarts b&b dat leeftijdsgebonden verminderde flexibiliteit geen ziekte of gebrek is en dat eiser ondanks burn-outs steeds herstelde. De prikkelbelasting was beperkt door thuiswerken en er was geen solitaire functie. Gezien deze omstandigheden blijft de hersteldverklaring van het UWV per 9 april 2022 in stand en wordt het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de hersteldverklaring per 9 april 2022 blijft in stand.