ECLI:NL:CRVB:2014:4126
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering wegens voldoende medische en arbeidskundige grondslag
Appellant, sinds 1982 werkzaam als timmerman, viel in december 2010 uit wegens rugklachten. Na het faillissement van zijn werkgever in juli 2011 nam het UWV de re-integratie over. Appellant begon in juni 2012 een nieuw dienstverband bij een bedrijf in Glasgow, dat vanwege bedrijfseconomische redenen in juli 2012 werd beëindigd. Vanaf oktober 2012 meldde appellant zich ziek met toegenomen rugklachten.
Op 25 januari 2013 concludeerde een verzekeringsarts dat appellant voldoende hersteld was om zijn laatst verrichte werk als operator te hervatten. Het UWV beëindigde daarop de Ziektewetuitkering per 28 januari 2013. Appellant maakte bezwaar, dat werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht uitging van de laatst verrichte arbeid als maatstaf.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij niet hersteld was en dat het re-integratietraject onzorgvuldig was. Ook betwistte hij de toepassing van het beleid van het UWV en de interpretatie van 'zijn arbeid'. De Raad oordeelde dat het dienstverband bij het nieuwe bedrijf als arbeid in de zin van de ZW moet worden beschouwd, ook al duurde dit slechts twee maanden. Het vijfde lid van artikel 19 ZW Pro is van toepassing en verruimt het begrip 'zijn arbeid' voor vangnetters zonder werkgever. Het medisch onderzoek werd als zorgvuldig beoordeeld.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering per 28 januari 2013.