ECLI:NL:RBZWB:2024:5977
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vaststelling WOZ-waarde woning en aanslag OZB 2023
Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woning uit 2000 met een gebruikersoppervlakte van 145 m2 en een perceel van 383 m2. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde op 1 januari 2022 vast op €587.000 en legde gelijktijdig de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2023 op. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze vaststelling, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard.
De rechtbank behandelde het beroep op 18 juli 2024, waarbij belanghebbende niet verscheen ondanks tijdige uitnodiging. De heffingsambtenaar onderbouwde de WOZ-waarde met een waardematrix opgesteld door een taxateur, gebaseerd op vergelijkingsobjecten in de nabijheid die qua uitstraling, ligging, bouwjaar en oppervlakte voldoende vergelijkbaar zijn. Correcties voor verschillen zoals aangebouwde garage, carport, dakkapellen en verouderde voorzieningen zijn toegepast.
Belanghebbende voerde aan dat de WOZ-waarde te hoog is in vergelijking met de aankoopprijs in 2017, maar de rechtbank oordeelde dat deze prijs te ver van de waardepeildatum ligt en dat de markt sindsdien sterk is gestegen. Ook het argument dat de waarde in verhouding moet staan tot eerdere waardepeildata werd verworpen omdat de Wet WOZ vereist dat de waarde jaarlijks opnieuw wordt bepaald op basis van actuele feiten.
De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en dat het beroep ongegrond is. De aanslag OZB volgt het oordeel over de WOZ-waarde en blijft gehandhaafd. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde en aanslag OZB 2023 is ongegrond verklaard en de aanslag blijft gehandhaafd.