ECLI:NL:RBZWB:2024:6014
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn bezwaar en beroep WOZ-waarde
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar inzake de WOZ-waarde. Tijdens de procedure is een compromis gesloten over de WOZ-waarde en proceskosten, waarna belanghebbende het beroep introk, maar een verzoek tot vergoeding van immateriële schade indiende.
De rechtbank constateert dat de redelijke termijn van twee jaar voor de behandeling van bezwaar en beroep is overschreden met ongeveer vijf maanden, gerekend vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift op 4 maart 2022. Volgens het arrest van de Hoge Raad is een overschrijding van de redelijke termijn een vereiste voor vergoeding van immateriële schade.
Echter, belanghebbende heeft onvoldoende feiten gesteld om het financiële belang te onderbouwen, dat minimaal € 1.000 moet bedragen. De rechtbank gaat uit van een financieel belang groter dan € 15, maar dit is onvoldoende om een vergoeding toe te kennen. Daarom wijst de rechtbank het verzoek tot immateriële schadevergoeding af.
De uitspraak is gedaan door mr. M.E. de Boer en openbaar gemaakt op 18 juli 2024. Partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch binnen zes weken na verzending van de uitspraak.
Uitkomst: Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.