Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Stichting Surplus Zorg,
1.Het procesverloop
- het verzoekschrift met producties,
- het verweerschrift.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De werkneemster is sinds 2008 in dienst bij de werkgever en sinds november 2022 arbeidsongeschikt. De werkgever heeft op 12 februari 2024 de arbeidsovereenkomst eenzijdig opgezegd per 1 maart 2024 zonder instemming van de werkneemster en zonder de vereiste toestemming van het UWV. De werkneemster betwist de onrechtmatigheid van de opzegging en verzoekt een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en betaling van het resterende deel van de transitievergoeding over de periode tot 1 juli 2024, de datum waarop het dienstverband bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd.
De kantonrechter oordeelt dat intrekking van een eenzijdige opzegging zonder instemming van de werknemer niet mogelijk is. De werkgever heeft de opzegtermijn van vier maanden niet in acht genomen en beschikte niet over de vereiste toestemming van het UWV. Daarom is de opzegging onregelmatig en heeft de werkneemster recht op een gefixeerde schadevergoeding van €11.647,60 bruto en het resterende deel van de transitievergoeding van €2.679,76 bruto.
Verder wordt de werkgever veroordeeld tot het verstrekken van een netto/bruto specificatie, betaling van buitengerechtelijke incassokosten, proceskosten en wettelijke rente. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders verzochte wordt afgewezen.
Uitkomst: Werkgever wordt veroordeeld tot betaling van vergoeding wegens onregelmatige opzegging en het resterende deel van de transitievergoeding met rente.