Op 1 februari 2022 vond een incident plaats in de woning van het slachtoffer waarbij zowel verdachte als slachtoffer letsel opliepen door geweld. Verdachte was samen met twee anderen aanwezig, maar niet degene die het slachtoffer met een voorwerp sloeg.
De rechtbank onderzocht of verdachte als medepleger kon worden aangemerkt. Hiervoor is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met opzet op het gronddelict. Uit verklaringen en bewijs bleek onvoldoende steun voor een dergelijke samenwerking of wetenschap van het voorwerp waarmee het slachtoffer werd geslagen.
De verklaringen van het slachtoffer, verdachte en getuige verschilden en boden onvoldoende concreet bewijs om medeplegen vast te stellen. De rechtbank concludeerde dat opzet op het gronddelict niet kon worden bewezen en sprak verdachte vrij van medeplegen poging tot doodslag.
Daarnaast verklaarde de rechtbank de inbeslaggenomen verdovende middelen onttrokken aan het verkeer en hief het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.