ECLI:NL:RBZWB:2024:6326
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toezendplicht indexeringspercentages in WOZ-waardezaak
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een woning en de daarbij behorende aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) door de gemeente Breda. De heffingsambtenaar had de waarde vastgesteld op €437.000 per 1 januari 2022 en het bezwaar ongegrond verklaard.
Tijdens de zitting op 31 juli 2024 werd het geschil beperkt tot de vraag of de heffingsambtenaar had voldaan aan de toezendplicht van bepaalde gegevens die ten grondslag liggen aan de waardebepaling, met name de indexeringspercentages. Belanghebbende stelde dat deze gegevens niet adequaat waren verstrekt, wat een schending van artikel 40, tweede lid, Wet WOZ zou betekenen.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar verwees naar werkafspraken waarin staat dat correctiepercentages en andere relevante gegevens op de website van de Belastingsamenwerking West-Brabant zijn gepubliceerd en dat dit ook in het taxatierapport werd vermeld. De rechtbank volgde de lijn van een eerdere uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden dat indexeringspercentages niet onder de toezendplicht vallen.
Daarom was geen sprake van een schending van artikel 40 Wet Pro WOZ. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de WOZ-waarde en de aanslag OZB gehandhaafd blijven. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde en OZB-aanslag blijven gehandhaafd.