ECLI:NL:RBZWB:2024:6327
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen WOZ-waarde woning te Breda ongegrond verklaard
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning te Breda, welke door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €519.000 per 1 januari 2022. Tevens werd beroep ingesteld tegen de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) die hierop was gebaseerd.
De rechtbank beoordeelde of de waarde te hoog was vastgesteld en of de heffingsambtenaar voldoende inzicht had gegeven in de gebruikte indexeringspercentages. De rechtbank volgde de heffingsambtenaar in zijn stelling dat de indexeringspercentages niet onder de toezendplicht vallen, conform een eerdere uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden.
De waarde was bepaald met de vergelijkingsmethode aan de hand van drie referentiewoningen, die voldoende vergelijkbaar werden geacht. De heffingsambtenaar had naar het oordeel van de rechtbank op adequate wijze rekening gehouden met verschillen tussen de woningen, waaronder correcties voor onderhoud en voorzieningen. Belanghebbende stelde dat de gedateerde keuken onvoldoende was meegewogen, maar de rechtbank vond dat dit al was verwerkt in de correctie voor achterstallig onderhoud.
De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. De aanslag OZB blijft gehandhaafd en belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €519.000 wordt ongegrond verklaard en de aanslag OZB blijft gehandhaafd.