ECLI:NL:RBZWB:2024:6328
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting woning
Belanghebbende is eigenaar van een twee-onder-een-kap woning uit 1999 met een oppervlakte van 144 m² en een perceel van 354 m². De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde op 1 januari 2022 vast op €523.000 en legde op basis daarvan de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2023 op. Belanghebbende voerde beroep in tegen deze waardebepaling en de aanslag, stellende dat de waarde maximaal €430.000 zou moeten zijn.
De rechtbank onderzocht of de heffingsambtenaar de waarde te hoog heeft vastgesteld. Hierbij werd onder meer getoetst of de toezendplicht van indexeringscijfers was nageleefd, waarbij de rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar conform de geldende jurisprudentie en werkafspraken heeft gehandeld. De waardebepaling was gebaseerd op een taxatiematrix met vergelijkingswoningen, waarvan één woning buiten beschouwing werd gelaten wegens verkoopdatum te ver van de waardepeildatum.
De overige referentiewoningen waren voldoende vergelijkbaar en recent genoeg. De heffingsambtenaar had bovendien adequaat rekening gehouden met verschillen tussen de woningen door middel van correcties en indexering. De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft gehandhaafd.