Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Beoordeling door de rechtbank
3.Conclusie en gevolgen
4.Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om een vergoeding van immateriële schade af.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning en tegen de daaraan gekoppelde aanslagen. De heffingsambtenaar stelde de waarde op €203.000 en verklaarde het bezwaar ongegrond. Belanghebbende stelde beroep in bij de rechtbank.
Tijdens de zitting gaf gemachtigde van belanghebbende aan de WOZ-waarde niet langer te betwisten, waardoor het geschil zich beperkte tot de vraag of artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ was geschonden. Dit artikel verplicht tot het verstrekken van specifieke gegevens die ten grondslag liggen aan de waardebepaling. De rechtbank oordeelde dat het verzoek onvoldoende specifiek was en dat de heffingsambtenaar de waarde in elke fase mocht onderbouwen.
Verder werd het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke beslistermijn afgewezen. De rechtbank vond geen aanleiding om aan te nemen dat belanghebbende schade had geleden, mede omdat cliënten van gemachtigde doorgaans niet actief betrokken zijn bij de procedure en niet worden geïnformeerd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de WOZ-waarde en de aanslagen en wees het verzoek om schadevergoeding af. Het griffierecht wordt niet vergoed.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding wordt afgewezen.