Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
de inspecteur van de belastingdienst.
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Feiten
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende ontving in 2021 een voorschot van €358 op de teruggaaf van de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, gebaseerd op zijn inkomen in 2020. Later stelde de inspecteur vast dat belanghebbende geen recht had op deze teruggaaf omdat hij sinds 20 februari 2021 een AOW-uitkering ontving.
De inspecteur vorderde het voorschot terug en verklaarde het bezwaar van belanghebbende ongegrond. Belanghebbende voerde aan dat de inspecteur had moeten weten dat hij geen recht had op de teruggaaf, zodat het voorschot onterecht was verstrekt en niet terugbetaald hoefde te worden.
De rechtbank oordeelde dat een voorschot kan worden verleend op basis van het vermoeden van recht en dat een onterecht verstrekt voorschot terecht kan worden teruggevorderd. Het feit dat de inspecteur volgens belanghebbende had moeten weten dat er geen recht bestond, maakt dit niet anders. Daarom is het beroep ongegrond en blijft de beschikking tot terugvordering in stand.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende is ongegrond verklaard en het voorschot moet worden terugbetaald.