ECLI:NL:RBZWB:2024:6447
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en weigering immateriële schadevergoeding
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €189.000 per 1 januari 2021. De heffingsambtenaar had het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank beoordeelde of de waarde te hoog was vastgesteld en of artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ was geschonden.
De rechtbank oordeelde dat de gebruikte vergelijkingsmethode en referentiewoningen voldoende vergelijkbaar waren en dat de heffingsambtenaar de verschillen tussen de woningen adequaat had verwerkt. Ook werd geoordeeld dat eventuele schendingen van artikel 40 Wet Pro WOZ niet tot benadeling van belanghebbende hadden geleid, mede doordat ontbrekende gegevens alsnog in de beroepsfase waren verstrekt.
Verder wees de rechtbank het verzoek om immateriële schadevergoeding af, omdat de overschrijding van de redelijke beslistermijn minder dan twaalf maanden bedroeg en het financiële belang onder de €1.000 lag. Het beroep werd ongegrond verklaard en de WOZ-waarde en aanslagen bleven gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.