Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 1 oktober 2024 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , te [plaats] , eiseres,
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiseres, werkzaam als productiemedewerker, heeft zich ziek gemeld wegens rugklachten en psychische problemen. Het UWV heeft na medisch en arbeidskundig onderzoek geweigerd haar per 29 maart 2022 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is vastgesteld.
De rechtbank heeft het beroep van eiseres beoordeeld aan de hand van medische rapporten van een primaire arts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b). Beide artsen concludeerden dat eiseres beperkingen heeft, maar niet in die mate dat zij volledig of duurzaam arbeidsongeschikt is. De rechtbank oordeelt dat het onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en dat de beperkingen adequaat zijn vastgesteld in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).
Eiseres stelde dat zij een urenbeperking en volledige arbeidsongeschiktheid toekomt, mede op basis van een later besluit van het UWV uit 2024. De rechtbank wijst dit af omdat de peildatum van dat besluit ruim anderhalf jaar na de peildatum in deze procedure ligt en er geen nieuwe medische informatie voor de relevante periode is ingebracht.
De arbeidsdeskundige van het UWV heeft passende functies geselecteerd voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid, welke de rechtbank passend acht. De berekende mate van arbeidsongeschiktheid van 11,12% is niet betwist door eiseres. Omdat de WIA-uitkering pas toegekend wordt bij minimaal 35% arbeidsongeschiktheid, is de weigering door het UWV terecht.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst proceskostenvergoeding en griffierecht af.
Uitkomst: Het beroep is ongegrond verklaard en de WIA-uitkering per 29 maart 2022 terecht geweigerd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.