ECLI:NL:RBZWB:2024:6749
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen WOZ-waarde en schending artikel 40 Wet WOZ ongegrond verklaard
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de WOZ-waarde van zijn woning en tegen de beslissing op bezwaar van de heffingsambtenaar. De waarde van de woning is uiteindelijk niet langer in geschil, omdat belanghebbende dit introk tijdens de zitting. De rechtbank beoordeelt vervolgens of er sprake is van een schending van artikel 40 van Pro de Wet WOZ en of belanghebbende recht heeft op immateriële schadevergoeding.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar de waarde in elke fase van de procedure mag onderbouwen en dat het beroep op schending van artikel 40 onvoldoende Pro specifiek is. Ook is geen sprake van een onvoldoende gemotiveerde uitspraak op bezwaar. Daarnaast is gebleken dat het kantoor van de gemachtigde veel cliënten kosteloos bijstaat en dat cliënten doorgaans niet actief betrokken zijn bij de procedures, wat meebrengt dat geen sprake is van immateriële schade door termijnoverschrijding.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af. De WOZ-waarde en aanslag OZB blijven gehandhaafd, en belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en schending van artikel 40 Wet WOZ wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.