Op 20 april 2024 werd verdachte aangehouden bij de grensovergang nabij Breda met ruim 100 kilogram hasjiesj in de kofferbak van een door hem gehuurde auto. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte opzettelijk deze drugs binnen Nederland heeft gebracht. De verdediging voerde aan dat verdachte niets wist van de drugs en dat de pakketten niet getest waren, maar dit werd door de rechtbank verworpen vanwege de ambtshalve herkenning door verbalisanten en het onwaarschijnlijke alternatieve scenario van verdachte.
Verdachte verklaarde dat de tassen door onbekenden bij een tankstation in Nederland in zijn auto waren geplaatst, maar deze verklaring werd niet geloofd omdat getuigen dit niet bevestigden en de tijd tussen de grensovergang en controle te kort was voor een dergelijke stop. De rechtbank oordeelde dat verdachte bekend moest zijn met de inhoud van zijn auto en dat hij geen verantwoordelijkheid nam voor zijn handelen.
De rechtbank hield rekening met een eerdere veroordeling van verdachte in Spanje en de maatschappelijke impact van drugshandel. Daarom werd een gevangenisstraf van 16 maanden opgelegd met aftrek van voorarrest. Daarnaast werden de in beslag genomen drugs en een ploertendoder onttrokken aan het verkeer.