Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waarde van zijn monumentale woning, die was vastgesteld op €452.000 per 1 januari 2022. De woning was verzakt door eerdere graafwerkzaamheden in de straat en stond in 2023 leeg vanwege de verzakking.
De heffingsambtenaar verlaagde de waarde aanvankelijk naar €411.000, maar stelde in het verweerschrift een waarde van €277.000 voor. De rechtbank toetste deze waarde aan het wettelijke kader van artikel 17, tweede lid, Wet WOZ en concludeerde dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld.
De rechtbank oordeelde dat de verzakking en leegstand waardedruk op de woning veroorzaakten, terwijl de grondwaarde bleef stijgen. De gasleidingbreuk in 2023 werd niet meegenomen omdat deze na de waardepeildatum plaatsvond. De rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar en stelde de WOZ-waarde definitief vast op €277.000, met een overeenkomstige verlaging van de aanslag OZB. Tevens werd het griffierecht aan belanghebbende vergoed.