ECLI:NL:RBZWB:2024:6930
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen WOZ-waarde en aanslag OZB woning
Belanghebbende is eigenaar van een twee-onder-een-kapwoning en betwist de vastgestelde WOZ-waarde van €428.000 per 1 januari 2022 en de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2023. Het geschil spitst zich toe op de toepassing van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ, dat betrekking heeft op het verstrekken van gegevens die ten grondslag liggen aan de waardebepaling.
Belanghebbende stelt dat het indexeringspercentage niet inzichtelijk is gemaakt en dat leveringsakten van vergelijkingsobjecten niet zijn verstrekt, waardoor sprake zou zijn van een schending van artikel 40 Wet Pro WOZ. De heffingsambtenaar betwist dit en stelt dat de relevante gegevens openbaar raadpleegbaar zijn en dat het gebruik van verschillende datums voor indexering in bezwaar- en beroepsfase is toegestaan.
De rechtbank volgt de jurisprudentie dat indexeringspercentages niet onder artikel 40 lid 2 vallen Pro en dat leveringsakten door belanghebbende zelf kunnen worden geraadpleegd. Tevens oordeelt de rechtbank dat belanghebbende met de beschikbare gegevens voldoende mogelijkheden had om de waarde te controleren. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard, waardoor de WOZ-waarde en aanslag OZB gehandhaafd blijven. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de vastgestelde waarde blijft gehandhaafd.