De Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), vordert terugbetaling van een bedrag van €5.569,15 dat onverschuldigd aan de gedaagde BV is betaald in het kader van de TVL-subsidie voor het tweede kwartaal van 2021. De RVO had aanvankelijk een subsidiebedrag vastgesteld en voorschotten betaald, maar maakte een fout door hetzelfde bedrag tweemaal uit te keren.
De gedaagde betwist de vordering en stelt dat het bedrag een schadevergoeding betreft en dat de bestuursrechter bevoegd is. De rechtbank oordeelt echter dat de civiele rechter bevoegd is omdat de RVO geen bestuursrechtelijke weg openstaat voor de vordering. Verder concludeert de rechtbank dat het bedrag inderdaad onverschuldigd is betaald en dat de gedaagde dit moet terugbetalen.
De rechtbank wijst de vordering van de RVO tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten af vanwege de onduidelijke en onzorgvuldige handelwijze van de RVO. Wel wordt de wettelijke rente over het bedrag toegewezen vanaf 9 april 2024. De gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van het bedrag, de rente en de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.