ECLI:NL:RBZWB:2024:7182

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 oktober 2024
Publicatiedatum
22 oktober 2024
Zaaknummer
BRE 24/5878
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 6:12 AwbArt. 4:13 AwbArt. 4:14 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen op aanvraag kwijtschelding studieschuld medische gronden

Eiser heeft op 12 december 2023 een aanvraag ingediend voor kwijtschelding van zijn studieschuld op medische gronden bij de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De minister heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn van acht weken een besluit genomen. Eiser heeft de minister op 14 mei 2024 ingebreke gesteld, waarna twee weken zijn verstreken zonder besluit.

De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en dat de minister alsnog binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een besluit moet nemen. De minister heeft aangegeven dat door herinrichting van het proces en een toename van aanvragen een achterstand is ontstaan, waardoor geen exacte datum voor besluitvorming kan worden gegeven.

De inning van de studieschuld is sinds december 2023 gepauzeerd, wat de rechtbank aanleiding geeft om een langere beslistermijn dan de standaard twee weken toe te staan. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag dat de minister de termijn overschrijdt, met een maximum van €15.000.

De rechtbank bepaalt verder dat de minister het griffierecht van €51 aan eiser moet vergoeden. De uitspraak is gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb Pro en is openbaar gemaakt op 23 oktober 2024.

Uitkomst: De minister wordt opgedragen binnen zes weken alsnog te beslissen en een dwangsom opgelegd bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/5878

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 oktober 2024 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 12 december 2023.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
Is het beroep kennelijk gegrond?
3. Het beroep is kennelijk gegrond. Eiser heeft de aanvraag ingediend op 12 december 2023. In de wet is geen termijn opgenomen waarbinnen de minister op deze aanvraag moet beslissen. In zo’n geval geldt een beslistermijn van acht weken. [2] De minister had dus uiterlijk op 5 februari 2023 moeten beslissen. De termijn waarbinnen de minister moet beslissen is inmiddels voorbij. Eiser heeft de minister op 14 mei 2024 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan.
Welke beslistermijn wordt aan de minister opgelegd?
4. Omdat de minister nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat de minister dit alsnog moet doen.
4.1.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet de minister dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen. De minister heeft uitgelegd dat het proces opnieuw moest worden ingericht, waardoor de beoordeling van aanvragen van kwijtschelding op medische gronden heeft stilgelegen. Ook is het aantal aanvragen toegenomen. Hierdoor is een achterstand ontstaan in de beoordeling van aanvragen. De minister kan niet aangeven wanneer een beslissing zal volgen.
4.2.
De inning van de studieschuld is sinds december 2023 gepauzeerd. Hierin ziet de rechtbank reden om een andere termijn te geven dan twee weken, waarbinnen het besluit moet worden genomen. De minister moet het besluit nemen binnen zes weken na het verzenden van deze uitspraak.
Welke dwangsom wordt aan de minister opgelegd?
5. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door de minister. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, de minister de onder 4 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan de minister de onder 5 genoemde dwangsom wordt opgelegd.
7. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 51,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van M. Choyoua, griffier, op 23 oktober 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Dit staat in de artikelen 4:13 en 4:14 van de Awb.