De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 25 oktober 2024 de zaak tegen verdachte, die samen met een medeverdachte werd verdacht van het opzettelijk aanwezig hebben van een grote hoeveelheid harddrugs en handel in harddrugs.
De rechtbank achtte bewezen dat verdachte en zijn medeverdachte op 28 maart 2024 in een woning te [plaats] grote hoeveelheden amfetamine, cocaïne en MDMA opzettelijk aanwezig hadden. Dit werd onderbouwd met onder meer telefoongegevens, sleutelbezit en verklaringen van de bewoonster. Medeplegen werd vastgesteld vanwege de nauwe en bewuste samenwerking.
Voor het tweede feit, handel in harddrugs, was het dossier onvoldoende compleet en werd verdachte vrijgesproken. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 30 maanden op, met aftrek van het voorarrest, rekening houdend met de ernst van het feit, eerdere veroordelingen en landelijke oriëntatiepunten.
De rechtbank gelastte tevens de teruggave van geldbedragen die in beslag waren genomen in verband met het vrijgesproken feit. De straf zal volledig binnen de penitentiaire inrichting worden uitgevoerd tot eventuele voorwaardelijke invrijheidstelling.