ECLI:NL:RBZWB:2024:7300

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 oktober 2024
Publicatiedatum
28 oktober 2024
Zaaknummer
BRE 23/11652
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:24 AwbArt. 6:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken juiste machtiging bij WOZ-beschikking

Belanghebbende B.V. heeft beroep ingesteld tegen de WOZ-beschikking 2023 voor een onroerend goed te een plaats. Het beroep is ingediend door een gesteld gemachtigde, die echter geen geldige machtiging heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij bevoegd is om namens belanghebbende op te treden.

De rechtbank heeft belanghebbende en diens gemachtigde meerdere malen verzocht het verzuim te herstellen door een juiste machtiging te overleggen, waaronder recente uittreksels uit het handelsregister. Deze zijn echter niet tijdig of niet toereikend aangeleverd, waardoor niet kan worden vastgesteld dat de gemachtigde bevoegd is.

Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard, heeft de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeeld. Tevens is het verzoek om immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding afgewezen omdat de gemachtigde niet bevoegd was om deze verzoeken namens belanghebbende in te dienen.

De uitspraak is gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb Pro en is openbaar gemaakt op 29 oktober 2024 door de enkelvoudige kamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een juiste machtiging en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11652

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 oktober 2024 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., uit [plaats] , belanghebbende

(gesteld gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
en
de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 7 december 2023. Het beroep ziet op de WOZ-beschikking 2023 met [aanslagnummer] voor het object [adres] te [plaats] .
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat gesteld gemachtigde in deze zaak als gemachtigde van belanghebbende mag optreden. Gesteld gemachtigde heeft dat verzuim niet tijdig heeft hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. [1] Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. [2]
Is een machtiging overgelegd?
4. Het beroepschrift is ingediend door gesteld gemachtigde. Hij vermeldt daarin dat hij de gemachtigde is van belanghebbende. Hij heeft bij het beroepschrift echter geen machtiging bijgevoegd waaruit blijkt dat hij gemachtigd is om dit het beroep in te stellen namens belanghebbende. De rechtbank heeft hem bij brief van 8 januari 2024 verzocht om binnen vier weken dit verzuim te herstellen.
4.1
Bij brief van 9 januari 2024 overlegt gesteld gemachtigde een volmacht ondertekend door [naam] en uittreksels uit het handelsregister van 20 september 2022. Uit die uittreksels volgt dat meerdere bestuurders op dat moment gezamenlijk bevoegd waren en niet dat een machtiging van één van de bestuurders voldoende zou zijn.
4.2
Bij brief van 24 januari 2024 heeft de griffier verzocht om uittreksels uit het handelsregister te overleggen van niet ouder dan één jaar. In deze brief wordt een laatste termijn van twee weken na dagtekening van de brief gegeven om het verzuim te herstellen.
4.3
Bij brief van 25 januari 2024 overlegt gesteld gemachtigde nogmaals de eerder bij brief van 9 januari 2024 overgelegde stukken.
4.4
Omdat belanghebbende een niet-natuurlijk persoon is en er geen recente uittreksels uit het handelsregister zijn overgelegd waaruit volgt dat een machtiging van
[naam] voldoende zou zijn, kan niet worden beoordeeld of de afgegeven machtiging is afgegeven door de (uiteindelijk) bevoegd bestuurder/persoon of bestuurders/personen.
Is het verzuim verontschuldigbaar?
5. Gesteld gemachtigde heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. Uit het beroepschrift blijkt dat gesteld gemachtigde niet de bedoeling heeft voor zichzelf in beroep te komen.

Conclusie en gevolgen

6. Het het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft.
6.1
Nu niet is gebleken dat gesteld gemachtigde is gemachtigd om namens belanghebbende te procederen is naar het oordeel van de rechtbank gesteld gemachtigde ook niet bevoegd om namens belanghebbende een verzoek te doen om een immateriële schadevergoeding en een proceskostenvergoeding. De rechtbank wijst de verzoeken dan ook af.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
  • wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 29 oktober 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb.
2.Dit staat in artikel 6:6 van Pro de Awb.