Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Verloop van de procedure
Standpunten
Overwegingen
€ 437,50
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd wegens het handelen in strijd met een geslotenverklaring (eenrichtingsverkeer) op de Akkerstraat te Breda op 14 april 2022. Betrokkene stelde beroep in bij de officier van justitie, die dit ongegrond verklaarde. Vervolgens werd beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kern van het geschil betrof de vraag of er een reële mogelijkheid tot staandehouding was geweest, zoals vereist op grond van artikel 5 van Pro de Wahv. De verbalisant had afgezien van staandehouding vanwege een statische controle, maar gaf geen nadere toelichting over de inrichting of het aantal staandehoudingen.
De kantonrechter oordeelde dat de enkele mededeling van een statische post onvoldoende is om vast te stellen dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat betrokkene de gedraging had begaan. De boete werd daarom ten onrechte opgelegd aan de kentekenhouder.
De beslissing van de officier van justitie en de boetebeschikking werden vernietigd. Betrokkene kreeg het betaalde bedrag terugbetaald en werd een proceskostenvergoeding van €1.343,- toegekend, waarbij de schriftelijke aanvulling gelijkgesteld werd aan een telefonische hoorzitting.
Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete wordt gegrond verklaard en de boete wordt vernietigd.