Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €248.000. De rechtbank beoordeelde het beroep en stelde vast dat de heffingsambtenaar niet volledig had voldaan aan de informatieplicht op grond van artikel 40, tweede lid, van de Wet WOZ, doordat onder meer de grondstaffel, taxatiekaart en KOUDV- en liggingsfactoren niet waren verstrekt.
De heffingsambtenaar had in beroep een taxatierapport overgelegd met een waarde van €255.000, gebaseerd op vergelijkingsmethode met referentiewoningen. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende rekening had gehouden met verschillen tussen de woningen, maar dat de prijs per eenheid (PPE) onjuist was berekend, waardoor de waarde te hoog was vastgesteld.
Belanghebbende stelde een lagere waarde van €199.000 voor, maar kon dit onvoldoende onderbouwen. Omdat geen van beide partijen de waarde aannemelijk kon maken, stelde de rechtbank de waarde in goede justitie vast op €229.000.
De aanslag onroerendezaakbelasting werd dienovereenkomstig verminderd. Daarnaast werd de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan belanghebbende. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen kunnen hiertegen hoger beroep instellen.