Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd omdat hij als bromfietser op de rijbaan reed terwijl er geen verplicht fiets/bromfietspad aanwezig was op de Spoorlaan in Tilburg. Betrokkene voerde aan dat hij handelde in het belang van de verkeersveiligheid door af te stappen bij het oversteken en dat er geen veilige in- of uitrit was bij de parkeerplek.
De officier van justitie verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding, omdat de initiële beschikking naar een verkeerd adres was gestuurd. De kantonrechter oordeelde dat dit te laat instellen van beroep niet aan betrokkene kon worden toegerekend, waardoor het beroep ontvankelijk werd verklaard.
Inhoudelijk oordeelde de kantonrechter dat de gedraging vaststond op basis van de verklaring van de verbalisant en dat betrokkene onvoldoende concrete feiten aanvoerde om dit te betwijfelen. De boete werd daarom terecht opgelegd en het beroep ongegrond verklaard.
De kantonrechter wees erop dat betrokkene binnen zes weken hoger beroep kan instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Deze uitspraak werd gedaan op 21 oktober 2024 door kantonrechter M.A.V. van Aardenne.
Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete wordt ongegrond verklaard.