De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 26 november 2024 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van medeplegen van invoer van circa 57,74 kilogram cocaïne en subsidiair medeplegen van een poging tot het opzettelijk vervoeren en aanwezig hebben van deze cocaïne.
De rechtbank oordeelde dat het dossier onvoldoende bewijs bevatte dat verdachte wetenschap had van de invoer van de cocaïne vanuit het buitenland, waardoor hij werd vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit van medeplegen invoer. Wel werd vastgesteld dat verdachte samen met een medeverdachte handelingen verrichtte gericht op het openmaken en verkrijgen van de inhoud van de container met cocaïne, wat neerkomt op medeplegen van een poging tot opzettelijk vervoeren en aanwezig hebben van cocaïne.
De feiten omvatten onder meer het onbevoegd betreden van het terrein van een bedrijf, het gebruik van gereedschap passend bij het openen van de container, en communicatie via telefoons over containercodes en openingstechnieken. Verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van voorarrest.
De rechtbank hield rekening met de jeugdige leeftijd van verdachte, zijn eerdere veroordeling, en het reclasseringsrapport dat een positieve gedragsverandering signaleerde. Het vonnis benadrukt de ernst van de drugshandel en de noodzaak van een afschrikkende straf.