Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
heeftbewogen hem te bevoordelen uit de opbrengst van haar ( [slachtoffer 1] ) seksuele handelingen met een derde (sub 9°),
5.De strafbaarheid
6.De strafoplegging
7.De benadeelde partijen
8.Het beslag
9.De wettelijke voorschriften
10.De beslissing
een gevangenisstraf van 21 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar;
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
[slachtoffer 1](feit 1) van
€ 2.300,-, waarvan € 300,- aan materiële schade en € 2.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 2 december 2022 tot aan de dag der voldoening;
[slachtoffer 1] (feit 1), € 2.300,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 2 december 2022 tot aan de dag der voldoening;
33 dagen gijzelingkan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
[slachtoffer 2](feit 2) van
€ 1.000,-, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 2 december 2022 tot aan de dag der voldoening;
20 dagen gijzelingkan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
verklaart verbeurdhet in beslag genomen voorwerp, te weten:
verklaart onttrokken aan het verkeerhet inbeslaggenomen voorwerp, te weten:
mr. D.L.J. Martens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.W. Schalk, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 27 november 2024.