ECLI:NL:RBZWB:2024:8153

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 november 2024
Publicatiedatum
29 november 2024
Zaaknummer
BRE 22/4699
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:54 AwbArt. 22j Algemene wet inzake rijksbelastingen
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens te laat ingediend bezwaarschrift reclamebelasting

Belanghebbende B.V. maakte bezwaar tegen een aanslag reclamebelasting, opgelegd op 30 juni 2021. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het te laat was ingediend. De rechtbank bevestigt dit oordeel omdat het bezwaarschrift pas op 9 maart 2022 werd ontvangen, ruim na de termijn van zes weken die eindigde op 11 augustus 2021.

De gemachtigde van belanghebbende betwistte de tijdige ontvangst van de aanslag, maar de rechtbank concludeert dat de aanslag tijdig is ontvangen, mede gelet op de betaling op 1 juli 2021. Er zijn geen omstandigheden die de termijnoverschrijding verontschuldigen.

De rechtbank oordeelt dat het beroep daarom kennelijk ongegrond is en bevestigt het bestreden besluit. Wel is vastgesteld dat de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase met ongeveer negen maanden is overschreden, waardoor belanghebbende recht heeft op een immateriële schadevergoeding van € 1.000. De kosten van deze vergoeding en de proceskosten worden verdeeld tussen de heffingsambtenaar en de Staat.

De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar en de Staat tot betaling van respectievelijk € 111,11 en € 888,89 aan immateriële schadevergoeding, en tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten aan belanghebbende.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard vanwege te laat ingediend bezwaarschrift, met toekenning van immateriële schadevergoeding en proceskosten aan belanghebbende.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 22/4699

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 november 2024 in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., uit [plaats 1] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
en

de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant,

de heffingsambtenaar.

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 30 september 2022. Het beroep ziet op de aanslag reclamebelasting voor het [object] te [plaats 2] met [aanslagnummer] .
1.1.
Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar niet tijdig was ingediend. De rechtbank komt tot het oordeel dat het bezwaar te laat is ingediend en het te laat indienen niet verschoonbaar is. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
Toetsingskader
3. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. [1] Deze termijn begint op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking. [2] Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop dat aanslagbiljet of die beschikking is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [3]
3.1.
Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, kan het bestuursorgaan het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is anders als het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift verontschuldigbaar is. Dan laat het bestuursorgaan niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege. [4]
Is de aanslag op de juiste wijze bekendgemaakt?
4. Aan belanghebbende is met dagtekening 30 juni 2021 een aanslag reclamebelasting opgelegd.
5. De gemachtigde stelt dat het bezwaarschrift tijdig en binnen zes weken na ontvangst van de aanslag bezwaar is gemaakt. De gemachtigde vraagt in beroep om stukken waaruit blijkt dat de aanslag ter post is bezorgd dan wel is ontvangen. De rechtbank begrijpt dat de gemachtigde hiermee de tijdige verzending en de ontvangst van de aanslag heeft willen betwisten.
6. De heffingsambtenaar is van mening dat de aanslag op de juiste wijze bekend is gemaakt. De heffingsambtenaar merkt op dat de betaling van de aanslag op 1 juli 2021 is voldaan.
7. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen reden om te twijfelen aan de bekendmaking en de verzending van de aanslag nu vast is komen te staan dat belanghebbende het bedrag van de aanslag op 1 juli 2021 – een dag na de dagtekening van de aanslag – heeft voldaan. Hieruit blijkt dat belanghebbende de aanslag tijdig heeft ontvangen.
Is het bezwaarschrift te laat ingediend?
8. Vast staat dat de dagtekening van de aanslag 30 juni 2021 is. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift eindigde dus op 11 augustus 2021.
8.1.
De gemachtigde heeft het bezwaarschrift, met dagtekening 3 januari 2022, met PostNL verstuurd. Het bezwaarschrift is bij de heffingsambtenaar ontvangen op 9 maart 2022. Op de enveloppe staat een poststempel met datum 7 maart 2022. Het bezwaarschrift is dus niet tijdig ingediend.
Is het te laat indienen verontschuldigbaar?
9. Er zijn geen redenen aangevoerd die de termijnoverschrijding verschoonbaar maakt. Het bezwaar is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Immateriële schadevergoeding
10. De gemachtigde heeft in zijn beroepschrift van 5 oktober 2022 verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke behandeltermijn. De redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase samen is als uitgangspunt 24 maanden. Het bezwaar van belanghebbende is op 9 maart 2022 ontvangen. Aangezien de rechtbank uitspraak doet op 29 november 2024, is de redelijke termijn met afgerond 9 maanden overschreden. Er bestaat recht op een vergoeding van € 1.000. Hiervan komt (afgerond) € 111,11 (1/9) voor rekening van de heffingsambtenaar. Het restant van € 888,89 komt voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre aan als partij in het geding. De rechtbank ziet in de gronden van de heffingsambtenaar geen reden tot matiging van de vergoeding.

Conclusie en gevolgen

11. Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Belanghebbende heeft wel recht op een vergoeding van immateriële schade van € 1.000.
12. In verband met de toekenning van een vergoeding van immateriële schade komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van de proceskosten voor de beroepsfase. De te vergoeden proceskosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 218,75 (1 punt voor het verzoek om schadevergoeding met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 0,25 voor het gewicht van de zaak). [5] De heffingsambtenaar en de Staat moet elk de helft van deze vergoeding betalen. De heffingsambtenaar en de Staat worden ook opgedragen om elk de helft van het geheven griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 111,11;
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende tot een bedrag van € 888,89;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende in beroep van € 109,37;
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van belanghebbende in beroep van € 109,38;
- bepaalt dat de heffingsambtenaar € 182,50 aan griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden; en
- bepaalt dat de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) € 182,50 aan griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 29 november 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:7 van Pro de Awb.
2.Dit volgt uit artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
3.Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb.
4.Dit volgt uit artikel 6:11 van Pro de Awb.
5.Hoge Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.