ECLI:NL:RBZWB:2024:8157
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond tegen niet-ontvankelijkheid bezwaar navorderingsaanslag en aanslagen IB/PVV
Belanghebbende maakte bezwaar tegen navorderingsaanslagen en aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2007 tot en met 2012. De inspecteur verklaarde de bezwaren niet-ontvankelijk. Belanghebbende stelde dat de uitspraak op bezwaar niet tijdig was ontvangen, waardoor het beroep tijdig was ingediend.
De rechtbank oordeelde dat de inspecteur niet aannemelijk had gemaakt dat de uitspraak op bezwaar op 25 maart 2019 was verzonden naar het juiste adres. Hierdoor was het beroep tijdig ingediend en ontvankelijk. Verder stelde de rechtbank vast dat de inspecteur niet aan zijn verplichting had voldaan om relevante stukken in te brengen, waardoor de zaken werden terugverwezen voor inhoudelijke behandeling.
Vanwege de lange duur van de bezwaar- en beroepsprocedure, die ruim elf jaar bedroeg, kende de rechtbank een immateriële schadevergoeding toe van €4.500, waarvan €2.790 voor rekening van de inspecteur komt en €1.710 voor rekening van de Staat. Ook werd het griffierecht en proceskostenvergoeding aan belanghebbende toegekend. De uitspraken op bezwaar werden vernietigd en de inspecteur werd opgedragen nieuwe uitspraken te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar worden vernietigd en een immateriële schadevergoeding wordt toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.