Uitspraak
1.De procedure
2.Het standpunt van de officier van justitie
3.Het standpunt van de verdediging
4.Het oordeel van de rechtbank
€ 24.000,-
€ 28.000,-
€ 40.000,-
€ 4.000,-
€ 96.000,-.
5.De wettelijke voorschriften
6.De beslissing
1080 dagen;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene is veroordeeld voor medeplegen van handel in cocaïne en voorbereidingshandelingen daarvoor. De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, aanvankelijk €313.202, later verminderd tot €281.504,90.
De verdediging stelde het ontnemingsbedrag primair vast op €35.255,- en betoogde dat betrokkene slechts drugskoerier was met beperkte winst. De rechtbank oordeelde dat de rol van betrokkene groter was dan hij zelf aangaf, maar kleiner dan de officier van justitie aannam.
De rechtbank baseerde de winstberekening op chatberichten waaruit blijkt dat betrokkene cocaïne op krediet leverde en verkocht, met een winst van €4.000 per blok van circa één kilogram. Op basis van vier transacties met in totaal 24 blokken werd het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op €96.000.
De rechtbank sloot de aankoop van een Audi A3, contante geldstortingen en een aangetroffen blok cocaïne buiten beschouwing wegens risico op dubbeltelling. De ontnemingsvordering werd vastgesteld op €96.000 en de rest van de vordering afgewezen.
De rechtbank legde betrokkene de verplichting op dit bedrag aan de staat te betalen en bepaalde een gijzelingstermijn van 1080 dagen bij niet-betaling.
Uitkomst: De rechtbank legt betrokkene ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €96.000 op.