ECLI:NL:RBZWB:2024:825

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
13 februari 2024
Publicatiedatum
13 februari 2024
Zaaknummer
AWB- 24_232 VV
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 lid 2 WpbrArt. 7 lid 5 WpbrArt. 8:81 lid 1 AwbArt. 8:83 lid 3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking toestemming beveiligingswerkzaamheden

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen de intrekking van zijn toestemming voor het uitvoeren van beveiligingswerkzaamheden op grond van artikel 7, vijfde lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr). Tevens verzocht hij om een voorlopige voorziening om de intrekking tijdelijk te schorsen.

De voorzieningenrechter overweegt dat een voorlopige voorziening alleen wordt toegekend indien sprake is van onverwijlde spoed en onomkeerbaarheid van het besluit. Verzoeker stelt dat zijn inkomsten sterk zijn teruggelopen, waardoor hij betalingsregelingen niet kan nakomen, maar heeft dit niet met objectief bewijs onderbouwd.

De voorzieningenrechter wijst erop dat een financieel belang op zichzelf geen reden is voor een voorlopige voorziening, tenzij sprake is van een aantoonbare financiële noodsituatie. Verzoeker kon dit niet aannemelijk maken. Bovendien dateert de intrekking van de toestemming van 19 juli 2023, waardoor verzoeker zich al een half jaar zonder toestemming financieel weet te redden.

Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van toestemming voor beveiligingswerkzaamheden is afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 24/232

uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 februari 2024 in de zaak tussen

[naam verzoeker], uit [woonplaats verzoeker], verzoeker,

(gemachtigde: mr. H.J. Veen),
en

De korpschef van politie (verweerder).

Inleiding

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van verweerder van 4 december 2023 (bestreden besluit) over de intrekking van toestemming als bedoeld in artikel 7, vijfde lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: Wpbr). Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de voorlopige voorzieningprocedure is bedoeld om in afwachting van de uitkomst van een bezwaar- of beroepsprocedure een voorlopige maatregel te treffen. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Dat betekent dat sprake moet zijn van een situatie waarin – in dit geval – de uitspraak in beroep niet afgewacht kan worden, omdat het onmogelijk zal zijn om eventuele gevolgen van (de uitvoering van) het besluit te herstellen (onomkeerbaarheid).
2. Verzoeker stelt dat hij een spoedeisend belang heeft bij het verzoek om een voorlopige voorziening, omdat zijn inkomsten drastisch zijn teruggelopen. Hij kan daardoor betalingsregelingen en andere financiële verplichtingen niet meer nakomen.
3. Het verzoek van verzoeker heeft de strekking dat de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening bepaalt dat verzoeker geacht moet worden te beschikken over de toestemming als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wpbr. Dat is een te vergaande maatregel, die niet past bij het karakter van een voorlopige voorzieningenprocedure. Uit vaste jurisprudentie [1] blijkt dat een financieel belang op zichzelf geen reden is om een voorlopige voorziening te treffen. Dit ligt anders wanneer aannemelijk is gemaakt dat een financiële noodsituatie dreigt. Bij brief heeft de rechtbank verzoeker gewezen op deze vaste rechtspraak en heeft de rechtbank verzoeker gevraagd om het spoedeisend belang nader toe te lichten. Verzoeker heeft alleen gesteld, maar niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken onderbouwd dat een noodsituatie dreigt.
Daarbij komt dat de intrekking van de toestemming dateert van 19 juli 2023. Dat betekent dat verzoeker zich al een half jaar financieel weet te redden zonder de door hem gewenste toestemming.
Gelet daarop is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster onvoldoende spoedeisend belang heeft bij het verzoek om een voorlopige voorziening omdat niet kan worden geoordeeld dat verzoeker de uitspraak van de rechtbank op zijn beroep niet kan afwachten.
4. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening daarom afwijzen. Voor een proceskostenvergoeding bestaat daarom geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. Broeders, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 13 februari 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.ABRvS 21 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:91, r.o. 4.