ECLI:NL:RBZWB:2024:825
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking toestemming beveiligingswerkzaamheden
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen de intrekking van zijn toestemming voor het uitvoeren van beveiligingswerkzaamheden op grond van artikel 7, vijfde lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr). Tevens verzocht hij om een voorlopige voorziening om de intrekking tijdelijk te schorsen.
De voorzieningenrechter overweegt dat een voorlopige voorziening alleen wordt toegekend indien sprake is van onverwijlde spoed en onomkeerbaarheid van het besluit. Verzoeker stelt dat zijn inkomsten sterk zijn teruggelopen, waardoor hij betalingsregelingen niet kan nakomen, maar heeft dit niet met objectief bewijs onderbouwd.
De voorzieningenrechter wijst erop dat een financieel belang op zichzelf geen reden is voor een voorlopige voorziening, tenzij sprake is van een aantoonbare financiële noodsituatie. Verzoeker kon dit niet aannemelijk maken. Bovendien dateert de intrekking van de toestemming van 19 juli 2023, waardoor verzoeker zich al een half jaar zonder toestemming financieel weet te redden.
Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van toestemming voor beveiligingswerkzaamheden is afgewezen wegens onvoldoende spoedeisend belang.