ECLI:NL:RBZWB:2024:8252
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen WOZ-waarde woning vastgesteld op €330.000
Belanghebbende, eigenaar van een appartement te [plaats 2], betwist de vastgestelde WOZ-waarde van €330.000 per 1 januari 2022. De heffingsambtenaar van Sabewa Zeeland handhaafde deze waarde na bezwaar. De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2024 behandeld, waarbij belanghebbende niet is verschenen ondanks correcte uitnodiging.
De waarde is vastgesteld via de vergelijkingsmethode, waarbij drie referentiewoningen in de nabijheid en met vergelijkbare kenmerken zijn gebruikt. De rechtbank oordeelt dat deze referentiewoningen voldoende vergelijkbaar zijn en dat de heffingsambtenaar de verschillen adequaat heeft gecorrigeerd, onder meer voor voorzieningen en ligging.
Belanghebbende voerde aan dat meerdere identieke woningen een lagere WOZ-waarde hebben, maar kon dit niet met stukken onderbouwen. De rechtbank stelt dat zonder bewijs van lagere waarden bij identieke woningen de beroepsgrond faalt. Ook het argument dat de vraagprijs van €449.000 te hoog is, wordt verworpen omdat verkoopprijs slechts indicatief is.
De rechtbank concludeert dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde niet te hoog heeft vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. De aanslag OZB blijft gehandhaafd en belanghebbende krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de aanslag OZB blijft gehandhaafd.