ECLI:NL:RBZWB:2024:8289

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 december 2024
Publicatiedatum
5 december 2024
Zaaknummer
BRE 23/3607
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 4:19 AwbArt. 6:12 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken ingebrekestelling bij niet tijdig beslissen dwangsombeschikking

Belanghebbende verzocht de inspecteur om ambtshalve vermindering van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2018. Omdat de inspecteur niet tijdig besliste, stelde belanghebbende hem in gebreke en verzocht hij om een dwangsombeschikking.

De inspecteur besloot uiteindelijk op het verzoek om vermindering, maar nam geen dwangsombeschikking. Belanghebbende stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van die dwangsombeschikking.

De rechtbank oordeelt dat belanghebbende geen ingebrekestelling heeft gedaan, een vereiste stap voordat beroep kan worden ingesteld tegen niet tijdig beslissen. Hierdoor is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk en kan de rechtbank het verzoek niet inhoudelijk beoordelen.

De inspecteur moet nog wel een beslissing nemen over het verzoek om dwangsom, waarbij de maximale dwangsom en wettelijke rente in aanmerking moeten worden genomen.

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en wijst erop dat belanghebbende binnen zes weken verzet kan instellen.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een ingebrekestelling.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/3607

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 december 2024 in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat belanghebbende heeft ingesteld, omdat de inspecteur volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek van 3 april 2023 tot het nemen van een dwangsombeschikking.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Belanghebbende heeft verzocht om ambtshalve vermindering van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2018. Omdat de inspecteur niet binnen de wettelijke termijn op het verzoek heeft beslist, heeft belanghebbende de inspecteur bij brief van 20 december 2022 in gebreke gesteld en de inspecteur verzocht alsnog op korte termijn een beslissing te nemen. Bij brief van 3 april 2023 heeft belanghebbende de inspecteur nogmaals verzocht binnen veertien dagen te beslissen op het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2018 en daarnaast heeft belanghebbende de inspecteur verzocht een dwangsombeschikking te nemen.
2.1.
De inspecteur heeft bij brief van 20 april 2023 beslist op het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2018. Omdat de inspecteur (nog) geen dwangsombeschikking heeft genomen, heeft belanghebbende beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn verzoek daartoe.
2.2.
Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1] Dit geldt ook voor het niet tijdig nemen van een dwangsombeschikking. [2]
2.3.
Belanghebbende heeft bij brief van 3 april 2023 de inspecteur verzocht om een dwangsombeschikking te nemen (de aanvraag). Belanghebbende heeft vervolgens geen brief aan de inspecteur gestuurd waarin hij de inspecteur laat weten binnen twee weken alsnog een dwangsombeschikking te nemen (de ingebrekestelling). Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet kan beoordelen. De rechtbank kan de beoordeling van het niet tijdig nemen van een dwangsombeschikking op grond van artikel 4:19, eerste lid, van de Awb ook niet meenemen in een hoofdprocedure, omdat in dit geval de inspecteur wel op het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2018 heeft beslist en de beroepsprocedure niet op dat verzoek ziet.
2.4.
Het voorgaande neemt niet weg dat de inspecteur nog een beslissing moet nemen op het verzoek om een dwangsom. De inspecteur heeft in zijn verweerschrift al te kennen gegeven dat belanghebbende naar zijn mening recht heeft op de maximale dwangsom van € 1.442. Bij de toekenning hiervan zal de inspecteur ook het verzoek van belanghebbende om wettelijke rente in aanmerking moeten nemen.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. C.C. van den Berg, griffier, op 5 december 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Vgl. HR 21 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:906, r.o. 2.4.3.