ECLI:NL:RBZWB:2024:8405
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging aanslag erfbelasting wegens niet tijdig opgelegde aanslag
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag erfbelasting die verband houdt met het overlijden van zijn echtgenote in 2019. De kern van het geschil betrof de vraag of de inspecteur tijdig uitstel had verleend voor het doen van aangifte erfbelasting, waardoor de aanslagtermijn verlengd zou zijn.
De rechtbank stelde vast dat de inspecteur onvoldoende bewijs had geleverd dat de uitstelbrief binnen de aanslagtermijn aan belanghebbende was verzonden. De brief was gericht aan de dochter van belanghebbende op haar privéadres en niet aan belanghebbende zelf. De inspecteur kon slechts indirect bewijs overleggen, zoals een intern systeemrapport en een algemeen assurantierapport, die onvoldoende waren om de verzending aannemelijk te maken.
Omdat geen kenbaar uitstel was verleend, liep de aanslagtermijn van drie jaar vanaf 17 december 2019 tot 17 december 2022. De aanslag werd echter pas op 20 maart 2023 opgelegd, waardoor deze niet tijdig was. De rechtbank vernietigde daarom de aanslag erfbelasting en veroordeelde de inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de aanslag erfbelasting omdat de aanslagtermijn niet is verlengd door uitstel.