Eiser verzocht om een financiële tegemoetkoming op grond van de Regeling tijdelijke tegemoetkoming rijnvarenden voor premies die hij in de periode van januari tot mei 2015 heeft betaald aan een Bulgaarse werkgever. De minister wees dit verzoek af omdat Bulgarije geen rijnoeverstaat is zoals bedoeld in de regeling. Eiser stelde dat de minister ten onrechte de regeling niet had toegepast en dat sprake was van schending van het evenredigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel.
De rechtbank oordeelde dat de regeling een algemeen verbindend voorschrift is en dat de minister bij het opstellen daarvan ruime beleidsvrijheid had. De beperking tot werkgevers uit rijnoeverstaten is niet onredelijk en de exceptieve toetsing van de regeling faalt. De aangevoerde algemene beginselen van behoorlijk bestuur en het unierechtelijke vrije vestigingsbeginsel konden de afwijzing niet rechtvaardigen.
Daarnaast werd vastgesteld dat de bezwaar- en beroepsprocedure langer dan de redelijke termijn had geduurd, waardoor de Staat werd veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van € 500,-. Ook werd de Staat veroordeeld tot betaling van proceskosten voor het schadeverzoek. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.