ECLI:NL:CRVB:2022:568
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging voortzetting WGA-uitkering ondanks geschil over arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatst werkzaam als schoonmaakster, kreeg een WIA-uitkering toegekend wegens arbeidsongeschiktheid. Het UWV beëindigde deze uitkering in 2016 vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%, waarna bezwaar en beroep volgden. Diverse medische en arbeidskundige rapporten werden overgelegd, waaronder een psychiatrische expertise in 2020. De rechtbank vernietigde het besluit tot beëindiging, maar handhaafde de rechtsgevolgen ervan.
In hoger beroep stelde appellante dat zij per eerdere data volledig arbeidsongeschikt was en verzocht om een onafhankelijke deskundige. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, appellante voldoende gelegenheid had gehad haar standpunt te onderbouwen (geen schending equality of arms), en dat de medische en arbeidskundige rapporten een juiste grondslag boden. De Raad volgde appellante niet in haar stelling dat eerdere arbeidskundige beoordelingen betekenis hadden, omdat de WGA-uitkering ononderbroken werd voortgezet.
Verder werd vastgesteld dat de procedure door het uitstel van appellante voor het inbrengen van een specialistisch onderzoek langer duurde dan gebruikelijk, wat een langere termijn rechtvaardigde. Desondanks werd een schadevergoeding van € 1.000 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Ook werden proceskosten en griffierechten aan appellante toegekend. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WGA-uitkering ongewijzigd wordt voortgezet en wijst het hoger beroep van appellante af.