ECLI:NL:RBZWB:2024:8408
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging aanslag erfbelasting wegens niet verlengde aanslagtermijn
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een aanslag erfbelasting die verband hield met het overlijden van zijn moeder in 2019. De kern van het geschil betrof de vraag of de inspecteur de aanslag binnen de wettelijke aanslagtermijn had opgelegd, waarbij de inspecteur stelde dat de termijn was verlengd door verleend uitstel voor het doen van aangifte.
De rechtbank oordeelde dat de inspecteur niet aannemelijk had gemaakt dat de brief waarin uitstel werd verleend daadwerkelijk was verzonden aan belanghebbende of zijn vertegenwoordigers binnen de aanslagtermijn. De brief was gericht aan de zus van belanghebbende op haar privéadres, en belanghebbende had pas na het verstrijken van de aanslagtermijn kennisgenomen van deze brief.
De inspecteur bracht diverse stukken in, waaronder een intern systeemrapport en een assurantierapport, maar deze boden onvoldoende bewijs voor verzending van de uitstelbrief binnen de termijn. Hierdoor was geen kenbaar uitstel verleend en liep de aanslagtermijn af op 17 december 2022.
Omdat de aanslag pas op 20 maart 2023 werd opgelegd, oordeelde de rechtbank dat deze niet tijdig was opgelegd en vernietigde de aanslag. Tevens werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de aanslag erfbelasting omdat geen kenbaar uitstel is verleend en de aanslagtermijn daardoor niet is verlengd.