ECLI:NL:RBZWB:2024:8409
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging aanslag erfbelasting wegens niet tijdige oplegging zonder kenbaar uitstel
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag erfbelasting naar aanleiding van het overlijden van haar moeder in 2019. De kern van het geschil betrof de vraag of de inspecteur de aanslag binnen de wettelijke termijn van drie jaar had opgelegd, dan wel dat deze termijn was verlengd door verleend uitstel voor het doen van aangifte.
De moeder overleed op 12 december 2019 en de aanslagtermijn begon op 17 december 2019 te lopen, eindigend op 16 december 2022. De inspecteur legde de aanslag pas op 20 maart 2023 op. De inspecteur stelde dat uitstel was verleend tot 12 januari 2021, waardoor de aanslagtermijn met vijf maanden zou zijn verlengd. Belanghebbende betwistte dat zij de uitstelbrief binnen de aanslagtermijn had ontvangen.
De rechtbank oordeelde dat de inspecteur onvoldoende bewijs had geleverd dat de uitstelbrief daadwerkelijk binnen de aanslagtermijn was verzonden. Interne aantekeningen en algemene rapporten boden geen concreet bewijs van verzending of ontvangst. Hierdoor was geen kenbaar uitstel verleend en was de aanslagtermijn niet verlengd.
Daarom vernietigde de rechtbank de aanslag erfbelasting. Tevens werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan belanghebbende, waarbij rekening werd gehouden met samenhangende beroepen van familieleden.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de aanslag erfbelasting omdat geen kenbaar uitstel voor het doen van aangifte is verleend binnen de aanslagtermijn.