ECLI:NL:RBZWB:2024:8449
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde en OZB-aanslag woning te Hulst
Belanghebbende is eigenaar van een twee-onder-een-kap woning uit 1982 in Hulst, met een WOZ-waarde vastgesteld op €169.000 per 1 januari 2022. Hij betwist deze waarde en stelt dat de waarde maximaal €131.000 zou moeten zijn. De rechtbank beoordeelt het beroep tegen de WOZ-waarde en de aanslag OZB, waarbij geen zelfstandige gronden tegen de aanslag zijn aangevoerd.
Belanghebbende stelde dat de heffingsambtenaar tijdens de bezwaarprocedure niet voldeed aan zijn informatieplicht op grond van artikel 40 Wet Pro WOZ door correctiepercentages en objectonderdelen niet te verstrekken. De rechtbank oordeelt dat dit inderdaad een schending is, maar dat deze in beroep is hersteld door het verstrekken van een taxatierapport, zodat belanghebbende niet langer benadeeld is.
De waarde is vastgesteld via de vergelijkingsmethode met drie referentiewoningen die voldoende vergelijkbaar zijn. De rechtbank vindt dat de heffingsambtenaar adequaat rekening heeft gehouden met verschillen zoals oppervlakte, bouwjaar, en voorzieningen. De door belanghebbende aangevoerde punten over enkele beglazing en verouderde keuken en badkamer slagen niet, omdat hiervoor geen bewijs is geleverd en de voorzieningen vergelijkbaar zijn met referentiewoningen.
De rechtbank concludeert dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. Belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten, omdat het aannemelijk is dat het beroep ook zonder de schending van artikel 40 Wet Pro WOZ zou zijn ingesteld.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en OZB-aanslag wordt ongegrond verklaard en de waarde van €169.000 blijft gehandhaafd.