Eiser werd door het college van burgemeester en wethouders van Breda een last onder dwangsom opgelegd om het agrarisch gebruik van een strook natuurgrond te beëindigen. Eiser maakte bezwaar en ging in beroep tegen dit besluit. De kern van het geschil betrof de vraag of het agrarisch gebruik onder het overgangsrecht viel, aangezien de gronden sinds 2009 de bestemming Natuur hebben.
De rechtbank stelde vast dat het bestemmingsplan Buitengebied Zuid 2013 van toepassing is, waarbij de gronden bestemd zijn voor duurzame instandhouding van natuur en niet voor agrarisch gebruik. Eiser voerde aan dat het gebruik altijd agrarisch was en onder het overgangsrecht viel, onderbouwd met foto’s en verklaringen. Het college en buren betwistten dit.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het agrarisch gebruik vlak vóór de peildatum van circa 20 november 2009 bestond en ongewijzigd was voortgezet. Foto’s en verklaringen waren onvoldoende concreet en toonden niet aan dat het huidige gebruik onder het overgangsrecht valt. Ook het beroep op de toverformule faalde omdat eiser het perceel ook op andere wijze kan bereiken.
Gelet op de beginselplicht tot handhaving en het ontbreken van bijzondere omstandigheden, was het college terecht bevoegd en gehouden om handhavend op te treden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het college werd niet veroordeeld tot proceskostenvergoeding.