Belanghebbende diende verzoeken om ambtshalve vermindering in voor de jaren 2017 tot en met 2020, waarop de inspecteur op 17 november 2022 afwijzend besliste. Belanghebbende kwam hiertegen in bezwaar en verzocht om aanhouding van het bezwaar in afwachting van jurisprudentie van de Hoge Raad over de heffing van box 3-inkomen.
Op 11 januari 2023 wees de inspecteur een dwangsombeschikking af, waartegen belanghebbende bezwaar maakte. Na het uitblijven van een beslissing op dit bezwaar stelde belanghebbende de inspecteur in gebreke en startte vervolgens beroep bij de rechtbank Noord-Holland. Deze rechtbank beval op 18 juli 2024 dat de inspecteur binnen twee weken moest beslissen op het bezwaar tegen de dwangsombeschikking, maar wees een dwangsom af.
De inspecteur heeft tot op heden niet beslist op de bezwaren tegen de verzoeken om ambtshalve vermindering en het bezwaar tegen de dwangsombeschikking. De rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat het beroep van belanghebbende prematuur is omdat het bezwaar tegen de aanslag van rechtswege ook betrekking heeft op de dwangsombeschikking. Aangezien de bezwaren zijn aangehouden en de inspecteur daarvoor nog niet in gebreke is, is er geen grond voor een apart beroep wegens niet tijdig beslissen.
De rechtbank verklaart de beroepen dan ook niet-ontvankelijk en wijst de verzoeken om een dwangsom af, zonder inhoudelijke behandeling van de gronden.