Eiser stelde bezwaar in tegen een besluit van UWV waarin een maatregel werd opgelegd in het kader van de Ziektewet, omdat hij op staande voet was ontslagen. UWV besloot niet tijdig op het bezwaar, waarop eiser een ingebrekestelling stuurde en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank oordeelde dat het beroep kennelijk gegrond is omdat UWV de beslistermijn had overschreden. Hoewel UWV om uitstel vroeg vanwege een tekort aan verzekeringsartsen en de noodzaak van een zorgvuldige heroverweging met fysieke hoorzittingen, stelde de rechtbank een termijn van vier maanden na uitspraak vast waarbinnen UWV alsnog moet beslissen.
Daarnaast legde de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op met een maximum van €15.000 voor elke dag dat UWV de nieuwe beslistermijn overschrijdt. UWV werd ook veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt op 8 januari 2024.