Uitspraak
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het ten laste gelegde feit;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 7 februari 2024 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van brandstichting op 8 november 2023 bij een winkelcentrum in Terneuzen. De officier van justitie stelde dat verdachte willens en wetens brand had gesticht met gevaar voor goederen en levensgevaar voor bewoners en bezoekers.
De verdediging voerde aan dat er geen sprake was van voorwaardelijk opzet omdat het vuur eenvoudig onder controle kon worden gehouden, zich niet direct tegen het pand bevond en de omgeving nat was. De rechtbank onderzocht het bewijs en constateerde dat hoewel het vuur de winkelpui erg warm had gemaakt, niet kon worden vastgesteld dat er daadwerkelijk gevaar of schade was ontstaan.
De verklaring van een getuige en de politieconstatering waren onvoldoende om het vereiste gevaar aan te tonen. De rechtbank oordeelde dat de gedragingen van verdachte eerder leken op het aanleggen van een vuur dat mogelijk brandgevaar kan opleveren, maar dit was niet ten laste gelegd. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde feit en hief het bevel tot voorlopige hechtenis op.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van brandstichting wegens onvoldoende bewijs van gevaar.