ECLI:NL:RBZWB:2024:8790
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen WOZ-waarde en aanslag onroerendezaakbelasting woning
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, gelegen aan een adres in Tilburg, en tegen de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor het jaar 2023. De heffingsambtenaar had de waarde vastgesteld op €216.000 per 1 januari 2022. Belanghebbende stelde dat de waarde maximaal €206.000 zou moeten zijn vanwege onder meer gedateerde voorzieningen, matige onderhoudstoestand, een lager duurzaamheidsniveau en de ligging tegenover een supermarkt.
De rechtbank beoordeelde de waarde aan de hand van de vergelijkingsmethode, waarbij referentiewoningen in de nabijheid en met vergelijkbare kenmerken werden gebruikt. De rechtbank oordeelde dat de gebruikte referentiewoningen voldoende vergelijkbaar waren en dat de heffingsambtenaar op transparante wijze rekening had gehouden met verschillen zoals onderhoud en uitstraling.
Belanghebbende voerde aan dat de geïndexeerde verkoopprijzen van de referentiewoningen niet klopten, maar de rechtbank verwierp dit omdat de WOZ-waarden modelmatig worden vastgesteld en niet louter op verkoopprijzen zijn gebaseerd. Ook bij toepassing van niet-geïndexeerde verkoopprijzen bleef de vastgestelde WOZ-waarde van €216.000 niet te hoog.
De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde en daarmee de aanslag OZB niet te hoog waren vastgesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de aanslag en WOZ-waarde gehandhaafd blijven en belanghebbende geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en de aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de vastgestelde waarde van €216.000 blijft gehandhaafd.